Iets wat ik niet meer uit mijn hoofd kreeg
Luister, ik moet je iets vertellen wat ik laatst leerde en waar ik maar niet overheen kom.
Stel je voor: een grot op het Indonesische eiland Sulawesi. Onderzoekers graven daar de resten op van oude jagers-verzamelaars. Mensen die tijdens de laatste IJstijd leefden, ergens tussen de 16.000 en 25.000 jaar geleden. Ze hebben oude kiezen en stukken kaakbot. Op het eerste gezicht niets bijzonders.
Tot iemand beter kijkt.
En groeven vindt. Afgeronde, uitgehollede groeven in de tanden. Geen enkele tandheelkundige aandoening die ooit gedocumenteerd is, past bij deze patronen.
Wat gebeurde hier in hemelsnaam?
Het wordt steeds gekker
Hier wordt het spannend. De slijtagepatronen vertelden een heel specifiek verhaal. Als je kijkt naar hoe tanden slijten door gewoon eten, of door ongewone gewoontes, dan zie je een patroon. Maar dit? Dit was anders.
De onderzoekers zagen schade die wees op iets dat achter in de mond werd bewaard en herhaaldelijk van de ene naar de andere kant werd geschoven. Het ging om een voorwerp ongeveer ter grootte en vorm van een betelnoot — die harde zaadjes van de arecapalm.
De oermens klemde het tussen de tanden, kauwde er af en toe op, en duwde het met de tong van wang naar wang. Steeds opnieuw. Waarschijnlijk jarenlang.
Het resultaat? Zo'n ernstige tandslijtage dat ze in minstens één geval helemaal tot aan het levende weefsel waren afgesleten.
Wacht, kauwden oermensen op drugs?
Goede vraag. En eerlijk gezegd, dát maakt dit verhaal zo boeiend.
Tegenwoordig kauwen mensen in veel delen van Azië en Oceanië nog steeds op betelnoten. Meestal wikkelen ze ze in een betelblad met wat gebluste kalk — dat helpt om de werkzame stoffen vrij te maken. Het werkt als stimulantium, iets dat energie geeft en een licht buzzje.
Maar deze oude mensen? Die hadden geen bladeren of kalk. Ze zogen gewoon op harde zaden.
Dus waarom de moeite?
De belangrijkste theorie is dat ze betelnoten als medicijn gebruikten. Specifiek tegen kiespijn. En hier wordt het bijna pijnlijk ironisch: door op die zaden te zuigen zouden hun tanden slijten, wat meer pijn veroorzaakte, waardoor ze meer betelnoten zouden gebruiken voor verlichting. Een vicieuze cirkel die akelig bekend klinkt, of niet?
De onderzoekers ontdekten dat er in betelnoten een stof zit die arecoline heet. Als je op de noot kauwt of zuigt, activeert deze stof bepaalde receptoren in je hersenen — dezelfde receptoren die betrokken zijn bij aandacht, leren en geheugen. Lijkt een beetje op nicotine? Dat klopt, want het werkt via vergelijkbare wegen.
Dus deze oude mensen verdoofden niet alleen hun kiespijn. Ze raakten high. Regelmatig. Potentieel jarenlang, tot ze stierven.
Maar hier komt het...
Het tweede individu in de studie leefde zo'n 6.300 tot 7.600 jaar geleden. Duizenden jaren ná de eerste persoon. En hun tanden vertoonden hetzelfde slijtagepatroon.
Dit was geen eenmalige gebeurtenis. Geen toeval. Mensen op dit eiland deden dit al duizenden en duizenden jaren. Generatie op generatie, terugkerend naar dezelfde planten voor verlichting van hun zere tanden, en ondertussen waarschijnlijk genietend van dat leuke buzzje.
We praten veel over menselijke geschiedenis, over hoe we altijd zin, verbinding, kunst en vooruitgang hebben gezocht. Maar we praten minder over deze andere kant van onze aard — het deel dat altijd manieren heeft gezocht om het bewustzijn te veranderen, pijn te ontvluchten, iets anders te voelen.
Het droevige deel
Modern betelnoten kauwen hangt samen met ernstige problemen: extreme tandslijtage, tandvleesziekte, verkleurde tanden, gaatjes, van alles. Begrijp je?
De oude tanden vertoonden vergelijkbare schade. Deze mensen hadden waarschijnlijk veel pijn, en ze behandelden die pijn met precies het ding dat het erger maakte.
Het herinnert me aan iets dat we vandaag de dag nog steeds zien bij allerlei stoffen. De verlichting wordt de val. Het medicijn wordt de kwaal.
Waarom is dit belangrijk?
Eerlijk? Ik denk dat er iets dieps zit in het vinden van bewijs voor drugsgebruik zó ver terug in onze geschiedenis. We behandelen verslaving soms als een modern probleem, een gevolg van onze ingewikkelde, stressvolle wereld. Maar deze bevindingen wijzen op iets diepers — misschien een fundamenteel aspect van de menselijke aard dat teruggaat tot onze eerste dagen als soort.
Mensen in pijn zochten verlichting. Verlichting kwam met bijwerkingen. Bijwerkingen veroorzaakten meer pijn. En zo gaat het maar door.
We zijn niet zo veranderd als we graag denken.
De volgende keer dat je leest over oude geschiedenis — piramides, grottekeningen, vroege landbouw — denk aan dit verhaal. Ergens daarbuiten, in een grot niet zo anders dan die op Sulawesi, worstelden onze voorouders met hetzelfde menselijke dilemma dat we vandaag de dag nog steeds hebben: hoe om te gaan met lijden, en welke prijs we bereid zijn te betalen om ons beter te voelen.
Dat is een verhaal dat 25.000 jaar aan de gang is.
En eerlijk? Het maakt me iets minder veroordelend over menselijke worstelingen met stoffen. We zijn hier al heel erg lang mee bezig.
Bron: Popular Mechanics - https://www.popularmechanics.com/science/archaeology/a73739305/worlds-oldest-drug-habit